Geschiedenis N.V. Ver. Bierbrouwerijen "Keizer Barbarossa" Groningen

De stad Groningen kende eeuwen lang een enorme biertraditie. Op een bepaald moment waren er ongeveer 80 brouwerijen in de stad gevestigd, daarbij echter hoorden ook brouwerijen die alleen werkten voor eigen consumptie zoals gasthuizen. Een aantal namen van brouwerijen uit die tijd: de Struisvogel, 't Haantje, de Golden Oliphant, Waldeck en Barbarossa. Het grote aantal brouwerijen had zijn oorsprong in het feit dat het brouwen van bier alleen was voorbehouden aan brouwers in Stad en Ommelanden. In de regio mocht men dus niet brouwen en moest men het bier afgenomen worden van de brouwers uit de stad Groningen. De meeste brouwerijen verdwenen weer rond 1900, maar toch heeft er jarenlang voor het noorden van Nederland en Duitsland een belangrijke brouwerij in de stad Groningen bestaan. Brouwerij Keizer Barbarossa, gestart in 1756 sloot in 1965 zijn brouwactiviteiten in Groningen.

Van de allereerste brouwerijgeschiedenis in de stad Groningen is maar weinig bewaard gebleven. In de middeleeuwen, een periode waarin het drinkwater erg onbetrouwbaar was, kende ons land erg veel kleine brouwerijen. Het bierverbruik was erg hoog, vooral omdat het een gezonde drank was. De ziektekiemen werden uit het water gekookt en het bier bevatte een laag alcoholpercentage. In de 17e en 18e eeuw verloor het bier het van de thee en koffie, maar in de 19e was weer een duidelijke opkomst merkbaar van het bier als belangrijke drank.
Hoewel al sprake is rond 1700 van de oprichting van een brouwerij in Groningen die geassocieerd mag worden met de Barbarossa brouwerij begint in 1832 de eigenlijke historie van Barbarossa. Al in 1704 is er sprake van een brouwerij aan het Hoge der A, met als eigenaar de familie Nauta. In 1763 ging deze brouwerij over in handen van Herman Dijk en zijn echtgenote. Zij verkochten het op hun beurt in 1770 aan Coppius Metting (C.M.) van Bolhuis en diens echtgenote, die daarvoor een herberg aankocht aan "de Laan", tussen de "Noorderhaven" en het "Hoge der Aa" In 1832 wordt koopman Willem Keizer eigenaar bij een publieke verkoop van de nalatenschap van Coenraad van Valkenburg.

Willem Keizer bezat een herenhuis met woonkelder aan het "Hoge der Aa" waarin een brouwerij was gevestigd, een koetshuis en een pakhuis met 2 korenzolders aan "de Laan" aangekocht in Groningen. Deze brouwerij werd gekocht tijdens een openbare veiling van de boedel uit de nalatenschap van Coenraad van Valkenburg. Bij het samengaan van beide brouwerijen in 1832 ontstond brouwerij "De Gekroonde Paauw". De heer Keizer bediende zich toen reeds van de voor die tijd moderne media. In een advertentie in "De Groninger Courant" van 6 juli 1832 schreef hij dat hij "zijn geachte stad- en landgenoten verwittigt van het feit dat hij de bierbrouwerij "De Gekroonde Pauw" heeft overgenomen, en hoopt zijn oude vrienden en begunstigers naar genoegen te kunnen bedienen".

In die tijd werden de fusten (er bestonden nog geen bierflessen) nog gedragen door 4 personen, door middel van jukken, naar de herbergen in de omtrek. Er bestaat een foto genomen in 1913 ter gelegenheid van het 100 jarig biervervoer van Barbarossabier met daarop onder andere 4 dragers met bier aan een juk en daarachter de "moderne" manier van biervervoer, per paard en wagen. Dit laatste transportmiddel had overigens wel angstaanjagend veel weg van een begrafeniskoets.

In 1869 krijgt de brouwerij de naam "Firma W.Keizer&co". Het woord co werd aan de naam W.Keizer toegevoegd omdat een neef van Willem Keizer, Pieter Mees als compagnon werd opgenomen. Het was in 1872, drie jaar later, dat Willem Keizer zich terug trekt uit de firma en dat de percelen en de brouwerij werden toebedeeld aan Pieter Mees. De brouwerij gaat gewoon verder onder dezelfde naam.
De Firma Keizer & co was tot begin 1900 de slotsom gekomen dat, door de samenwerking met een andere Groningse brouwerij, een nieuwe brouwerij zich veel beter kon handhaven. Juist rond die tijd deed de Duitse uitvinding van de eerste koelmachine zodat het mogelijk werd om ondergistende bieren te brouwen (Lager en Pilsener bieren) de brouwerij opbloeien. Het grote voordeel van deze ondergistende bieren, waarbij door koude gisting onder de 10 graden het gist zich op de bodem van de gistkuip zet, was dat de houdbaarheid van het bier veel langer werd. Het grote nadeel van deze productiewijze echter was dat de kosten van het brouwen van bier ook veel hoger werden.

De brouwerij werd in 1902 voortgezet door de beide zoons van Pieter Mees, Hitzerus en Bertus Mees. De productieomvang van de brouwerij bedroeg op dat moment ongeveer 5000-6000 HL. In 1906 kwam het tot een fusie tussen de elkaar concurrerende brouwerijen in Groningen. "W. Keizer&co" en de "NV Brouwerij Barbarossa", een vrij jonge brouwerij opgericht in 1892 door Kurt Joch, een Duitse brouwmeester die al veel langer met de nieuwe manier van brouwen bekend was. De nieuwe brouwerij die ontstond kreeg de naam "Brouwerij Keizer Barbarossa" en had als drie directeuren, die evenveel zeggenschap kregen, naast de gebroeders Mees, Fransz Steinweg van de "NV Brouwerij Barbarossa". Besloten werd om de goederen aan de Lage en Hoge der Aa te verkopen en alle activiteiten te centreren in de toen nog Harense wijk Helpman. In 1909 vroeg Fransz Steinweg eervol ontslag om bij de garenfabriek van zijn schoonvader als directeur aangesteld te worden. Bij de oprichting van de "Brouwerij Keizer Barbarossa" was overeengekomen dat de aandelen van Steinweg werden overgenomen door de beide broers die daarmee elk 50% van de aandelen beheerden.

Tot aan de eerste wereldoorlog werd er veel in de brouwerij geïnvesteerd. De productie groeide tot 14.000 Hl. In de oorlog was er sprake van een behoorlijke terugval in de afzet van het bier en moest de productie terug. De grondstoffen waren moeilijk verkrijgbaar, en de prijzen stegen. Mout moest in Engeland en de Verenigde Staten tegen hoge prijzen worden aangekocht. Tot overmaat van ramp werd een schip met 100 ton mout voor de brouwerij door de vijand op weg van Baltimore naar Rotterdam getorpedeerd. De brouwerij bleef echter draaien gedurende de eerste wereldoorlog. In 1918 komt Hitzerus plotseling te overlijden en blijft Bertus Mees over als enige directeur.
Het aantal hectoliters van voor de eerste wereldoorlog komt pas rond 1920 weer in zicht. Dit maakte het mogelijk dat in 1928 een eigen bottelarij in gebruik kon worden genomen zodat zelf bier op de fles afgevuld kon worden. Tot die tijd werd het bottelen overgelaten aan zelfstandige bottelaars. Een van de bekendste Groningse bottelaars voor Barbarossa uit die tijd G. Beereboom was gevestigd aan de Noorderhaven (vlak bij de browuwerij). Steeds meer brouwerijen gingen echter over tot het zelf bottelen van het bier, zo ook brouwerij Barbarossa. Daarnaast werd het wagenpark uitgebreid en werden er automatische koelmachines aangeschaft.

In 1937 neemt de brouwerij een nieuw kantoorpand in gebruik aan de Helperkerkstraat in Helpman. Ondanks de dreiging van de tweede wereldoorlog bleef men investeren in de brouwerij. Zo werd er in 1938 een kompleet nieuwe elektrische installatie geïnstalleerd. Bij de brouwerij verschenen in opdracht van de brouwerij een hertenkamp en een aantal flatwoningen met blokverwarming. Op een van de overzicht foto's kun je nog een gedeelte van het hertenkamp zien met onder andere de duiventil. Deze foto is van voor de zestiger jaren. Op deze foto zijn verder de garages en het kantoor goed zichtbaar. Op oudere foto's is het complete hertenkamp zichtbaar. Het verhaal gaat dat het hertenkamp juist op verzoek van de buurtbewoners weer werd afgebroken, het zou teveel rommel hebben opgeleverd.

In de tweede wereldoorlog werden Rudolf en Hitzerus Mees de nieuwe directeuren van de brouwerij. Zij stonden voor een moeilijke taak want gedurende de oorlog en de wederopbouw daalde de bierconsumptie enorm. Dit had mede te maken met het imagoprobleem van het povere oorlogsbier als ook de opkomst van andere dranken als jenever en frisdrank.
Het Barbarossabier kwam in die tijd veel verder dan Groningen alleen. Men exporteerde veel bier naar de Verenigde Staten, Duitsland en het Midden-Oosten, met merken als "Barbarossa Edel Pils", "Royal Dutch" en "Meester" Van zeer groot belang in de verdere ontwikkeling van de brouwerij na de tweede wereldoorlog was de opkomst van het flessenbier. Het bier werd steeds meer een merkartikel en brouwerijen deden steeds meer aan marketing. In deze periode ontstond en ware concurrentiestrijd tussen de vele bierbrouwerijen waarbij de opkomst van de zogenaamde B en C bieren (niet onder eigen merk naam, voor Barbarossa bijvoorbeeld "Royal Dutch") die ver onder de gangbare prijs verkocht werden. Dit was dan ook de reden dat het voor het familiebedrijf steeds moeilijker werd om zelfstandig het hoofd boven water te houden. Vandaar dat mede door de inzet van Rudolf Mees uiteindelijk in 1961 de fusie tot stand werd gebracht tussen Oranjeboom, ZHB, Phoenix, Wertha en Barbarossa. Op 26 september 1962 werd de brouwerij, na een ingrijpende verbouwing van bijna een jaar, feestelijk heropend. Tijdens de verbouwing werden er onder andere enkele nieuwe kelders onder het gebouw geplaatst. Verder was men er achter gekomen dat de kantoorruimte wel erg krap werd. In plaats van een nieuw kantoorgebouw neer te zetten koos men voor een opmerkelijke oplossing. Het reeds bestaande kantoor (het witte gebouw op de reclameplaat) werd vergroot. De ingang werd verplaatst naar de Helper Kerkstraat en de oppervlakte werd verdubbeld. Als je goed kijkt zie je dat er eigenlijk eenzelfde gebouw tegenaan werd gezet. Het gebouw werd daarmee precies een keer zo groot. Het voormalige kantoor is het enige gebouw van de brouwerij wat nog steeds bestaat, het heeft nog steeds een prominente plaats in de Helper Kerkstraat. Na de sluiting van de brouwerij is het kantoorpand jarenlang gekraakt geweest, nu is het een dubbele woning. De overige gebouwen van de brouwerij werden eind jaren zeventig gesloopt en hebben plaats moeten maken voor nieuwbouw.

Helaas werd de brouwerij na drie jaar in de nieuwe stijl te hebben gedraaid al in 1965 definitief gesloten. Het laatste Barbarossa bier werd gebrouwen in augustus 1965. De productie verdween naar Rotterdam en wat overbleef was een distributiedepot van alcoholische dranken en frisdranken onder de naam "Drankenhandel Citadel". Ik ben nog steeds op zoek naar materiaal van de brouwerij dus als iemand iets voor me weet, graag een mailtje via de mailoptie onderaan deze pagina.

Informatie voor bovenstaand artikel (oorspronkelijk gepubliceerd in BAV-Journaal 2004-03) is afkomstig van:
Groningen Toen, uitgave 1980, Bierbrouwerijen in Groningen
Mezen Brouwers en Keizer Barbarossa van Bert Joist
Het Oranjeboomblad 10e jaargang, nr 2